Sara Dresden

‘Ik denk er niet steeds aan,
maar het laat me niet los’

DELFT | Sara Dresden zal vanavond niet voor de televisie zitten om stil te staan bij de dodenherdenking. Ze gaat naar het graf van haar pleegouders, die haar in de oorlog aan de Hugo de Grootstraat een onderduikadres verschaften. “Op hun grafsteen heb ik heel subtiel een gedenkteken voor mijn eigen ouders aangebracht. Een Davidster, en hun namen, Sem en Racheltje Dresden. Een symbolisch graf, want beiden zijn omgekomen in Sobibor.”
Sara Brix-Dresden meldde zich gisteren bij de redactie van deze krant, nadat zaterdag in een artikel haar naam was genoemd als een van de ‘gevonden’ joodse baby’s die met dank aan Kees Chardon de oorlog hadden overleefd. Ze woont tegenwoordig in Noord-Holland, is echtgenote, moeder en grootmoeder en is eigenlijk niet zo bezig met haar joodse verleden. Toch speelt ze met de gedachte - ooit - haar bijzondere levensverhaal op te schrijven. “Al wil je er zelf niet meer aan denken, het laat je nooit helemaal los. Ik mis m’n wortels. En al wil ik er niet aan toegeven, onderhuids zit nog veel verdriet.” Haar pleegouders zwegen, zoals zo velen, over de oorlog. “Ik was al wat ouder toen ze me vertelden dat mijn ouders joden waren, die in de oorlog waren omgekomen. Ik dacht altijd dat joden slechte mensen waren. Waarom moesten ze anders dood?”
Contact met andere joodse kindertjes werd in de na-oorlogs jaren niet aangemoedigd. Toch trok ze op met Rob Hompes, een van de andere joodse baby’s die via de Spoorsingel 28 op een onderduikadres terecht kwamen. “Hij was opeens uit Delft vertrokken.Pas later heb ik begrepen waarom. We hebben elkaar kort geleden weer ontmoet”, vertelt Brix-Dresden. “Heel leuk en ook heel vreemd, want Rob is praktizerend jood en ik niet.”
Samen gaan ze binnenkort op bezoek bij de zus van de man die hun leven heeft gered.

 

© Copyright Lydia Hoogland