Sara en toneel

LEGE BLADZIJDE KLEURT VOOR MARIA BRIX ZWART ‘Toneeldiva’ uit Avenhorn worstelt steeds meer met deportatie van alle familieleden. Precies 16 dagen was Maria Brix toen haar moeder haar op het laatste moment bij de buren bracht. Toen heette ze nog Sara Dresden. De Tweede Wereldoorlog woedde in alle hevigheid. De Amsterdamse familie Dresden voelde de dreigende deportatie door de nazi’s aankomen. Joden waren vogelvrij verklaard door de Duitse bezetters. Als enige ontsprong de baby de verschrikkelijke dans, die in de gruwelijke vorm van het concentratiekamp Sobibor in Polen alle naaste familieleden in één moorddadige klap uitroeide. Sara is inmiddels 59, woont in Avenhorn en is in de regio vooral bekend als de met meer dan gemiddeld toneeltalent gezegende Maria Brix. WARE NAAM Bijna niemand kent haar ware naam. En weinigen weten iets af van haar joodse afkomst. “Eigenlijk loop ik voortdurend met een clownmasker op. Ik lijk altijd blij en opgeruimd. Kom heel open over en toon zelden een traan. De waarheid is anders, alleen mensen die me echt kennen zijn daarvan op de hoogte”, weet ze. Die verdraaide vijf maanden. Ze vormen nog altijd een lege bladzijde in het boek dat de kleine vrouw met grote uitstraling ooit nog eens wil schrijven over haar levenservaringen. Kort nadat ze begin 1943 bij haar buren werd gebracht, kwam ze via de Duitsers terecht in de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg. Dé locatie waar joden werden samengebracht om te worden gedeporteerd naar de vernietigingskampen. In juni van dat jaar werd de vijf maanden oude baby opgenomen door Jo en Wim Venselaar uit Delft. Het kinderloze echtpaar zag een nooit vervulde wens in vervulling gaan. Waar ze in die tussenperiode verbleef? Voor Maria is het een nimmer opgelost raadsel. “Namen heb ik niet. M’n pleegouders zeiden er niets over. Pas toen ik twaalf was, vertelden ze me na lang aandringen dat m’n hele familie vermoord was. Het is als een lege bladzijde, die met het klimmen der jaren steeds meer zwart wordt gekleurd. Het gemis van m’n ouders en m’n enige zusje Judith, die toen drie jaar was, voelt steeds zwaarder. Ik mis m’n roots. Voortdurend wordt ik daarmee geconfronteerd. Ik heb tientallen keren in het ziekenhuis gelegen. Elke keer wordt me gevraagd of bepaalde afwijkingen vaker in de familie voorkomen. Wat moet ik zeggen?”. JEUGDTONEEL Ze bleef tot haar twintigste in Delft. Het was niet verwonderlijk dat ze al op jonge leeftijd in aanraking kwam me het jeugdtoneel. Haar pleegvader was een gereputeerde regisseur, conferencier en ceremoniemeester. Met Jules de Corte aan de piano was Wim Venselaar een graag geziene gast op bruiloften. “En de gebroeders Lutz hebben bij hem het toneelvak geleerd” klinkt het niet zonder trots. Haar pleegouders gaven haar al snel de naam Maria, die in de oorlogsjaren minder risico’s opleverde dan Sara. Wim nam haar mee naar het toneel van de Congregatie van de Rooms-katholieke Jongelingen, waar hij als regisseur aan verbonden was. Haar eerste rol was die van kabouter in het stuk ‘Het ontbijt van koning Habebe’. Het zou het prille begin zijn van een glanzende carrière in het amateurtoneel, waar Maria alom uitgroeide tot een gevierde ‘ster’. Ze zegt altijd gevochten te hebben voor een eigen plek. Dat ze als twintigjarige naar Amsterdam vertrok, had niet alleen te maken met de natuurlijke drang naar zelfstandigheid: “M’n pleegouders hadden een pension. Soms werd ook mijn kamer verhuurd. Op zo’n moment voel je je teveel.” OMMEKEER De hoofdstad bracht de grote ommekeer in haar leven. Ze werkte er vier jaar als receptioniste/telefoniste bij een groothandel in ijzerwaren. Ze leerde er haar man Fred kennen. Samen woonden ze op de Marathonweg, onder de rook van het Olympisch Stadion. Met hem belandde Maria in 1969 in het voor beiden volstrekt onbekende De Goorn, waar ze een van de eerste bewoners van een kleine nieuwbouwwijk waren. Achteraf kan Maria wel lachen om die eerste kennismaking: “Ik dacht: ‘waar ben ik in hemelsnaam beland?’ In Amsterdam woonde ik in een winkelstraat. In De Goorn zag ik alleen een kleine supermarkt en een snackbar. Moeten we hier en nieuw bestaan opbouwen, vroeg ik me vertwijfeld af.” De schok bleek minder groot dan gevreesd. Beiden stortten zich in het verenigingsleven, juist om mensen te leren kennen. Maria pakte de toneeldraad op bij het vrouwengilde, sloot zich aan bij operettevereniging Musica en stond met andere ouders aan de wieg van de peuterspeelzaal aan de Zuidspierdijkerweg. Want ondertussen was ze de trotse moeder geworden van een zoon en dochter: Olaf en Rachel. Ook haar pleegouders kozen voor West-Friesland. En het was dan ook niet onlogisch dat Wim en zijn pleegdochter bij Nieuw Leven in De Goorn weer werden verenigd. Ongeveer vijftien jaar stond Maria daar op de planken. Meestal in kluchten en blijspelen, heel af en toe in een serieuzer stuk, zoals ‘Pinky, het blanke negermeisje’. “Een stuk met inhoud en diepgang trekt me veel meer. De mensen willen echter lachen. Die willen de ellende van de wereld voor even vergeten. En als mijn naam in het programmaboekje stond vermeld, gingen ze er al helemaal van uit dat het die avond helemaal goed zou komen. Vooral als Gerard de Loor m’n tegenspeler was. Wij voelden elkaar blindelings aan” vertelt Maria. Haar prestaties bleven niet onopgemerkt. Piet Steur uit Spierdijk, de motor achter het Rode Kruis toneel benaderde haar. Ook bij dit gezelschap had Wim Venselaar de artistieke leiding in handen. Toen ging de toneelgroep nog van oktober tot april langs dertig zalen en zaaltjes in West-Friesland. Sinds enkele jaren is dat teruggebracht tot 20. Maria hapte toe en heeft van die stap geen moment spijt gehad: “Het is een geoliede machine van gemiddeld 25 enthousiaste mensen, die jaarlijks een leuk bedrag bijeen spelen waarmee ouderen, zieken en gehandicapten een week op vakantie kunne n met bijvoorbeeld het schip ‘Henry Dunant’. In die zestien jaar heb ik ruim vierhonderd keer opgetreden, vaak in prachtige hoofdrollen met lappen tekst. Met Rien Bakker uit Hoorn, m’n vaste tegenspeler, liep het als een trein. Bij een ‘gewone’ toneelvereniging repeteer je voor twee uitvoeringen. Bij het Rode Kruis sta je met hetzelfde stuk twintig keer op de planken. Daardoor komt er meer diepgang en ontwikkelt het spel zich tot een hoger niveau.” NONNEKLOOSTER Toch houdt ze er na dit seizoen mee op. Gisteravond was de op één na laatste voorstelling in Oosterblokker, op donderdag 4 april volgt de traditionele afsluiting in Herbergh ‘t IJsselmeer in Oosterleek. Daarna is het al even vertrouwde afscheid in het nonnenklooster van Boxmeer, waar de partners een weekend meegaan om de laatste uitvoering in die religieuze setting bij te wonen. Maria heeft het definitieve adieu al een jaar geleden aangegeven. Een bewuste beslissing, zegt ze: “En daar zijn meerdere redenen voor. Ik ben geboren met een klompvoet. Pas ver na de oorlog werd ik eraan geopereerd. Veel te laat natuurlijk. Daardoor is het lichamelijk nooit meer goed gekomen. Ik ben te vaak geopereerd. Aan m’n benen, m’n rug. Lange stukken wandelen kan ik niet meer. Twintig keer op de planken staan, wordt een te grote belasting. Ik bezoek twee keer per week de fysiotherapeut. Het is mooi geweest.” IMPACT De ware aanleiding zit echter dieper, zo erkent zij eerlijk: “Drie jaar geleden speelden we het stuk ‘de Trein’. Dat handelde over een joods echtpaar, op weg naar het vernietigingskamp. Ze hebben het overleefd en kijken er vijftig jaar later op terug doordat de trein stilstaat. Dat had een impact van jewelste op me. Kort daarna bezocht ik een voorstelling ‘Rose’ van Henny Orri. Een monoloog over het leven van een joodse vrouw. Dat was ook heel intens. Toen nam ik m’n besluit: ik stop met kluchten en blijspelen. Daar heb ik geen zin meer in.” Het afscheid zal moeilijk zijn, want acteren is toch het mooiste dat er is, verzekert Maria:m “In de huid van een ander te kruipen, dingen zeggen die je in het gewone leven nooit zou durven zeggen. De reacties van het publiek, de wisselwerking. Ik zal het missen. Misschien doe ik nog eens een gastrol als ik wordt gevraagd.” Er blijft nog voldoende over om de dagen zinvol te vullen. De vrouw, die 22 jaar achter de microfoon zat bij de ziekenomroep ROVOZ , tot voor kort als omroepster optrad bij voetbalvereniging RKEDO, al veertien jaar als oppasmoeder de kinderen van een goede vriendin met liefde omgeeft en sinds enkele jaren ook de trotse oma is van Danique Naomi, Levi Samuel en Max, heeft alweer een nieuwe uitdaging gevonden: “Namens het dienstencentrum in Hoorn bezoek ik dementerende ouderen. En ik speel met het idee buddy te worden van een aids-patiënt. Ziek, zwak en misselijk, het trekt me aan. Misschien heeft dat wel alles te maken met m’n eigen leven. Ik moet er echter voor waken om weg te lopen voor m’n eigen vragen en problemen. M’n pleegouders zijn drie jaar geleden kort na elkaar overleden. Ik probeer het gemis van m’n roots af te schrijven. Ik wil graag een keer naar Israël gaan, als het daar veiliger is. Ook een bezoek aan Sobibor staat op m’n lijst. Maar waarvoor? Ik zal ook daar niets aantreffen van mijn familie. Dat gemis blijft pijn doen.” Uit: Stad & Streek 4 / Confetti / “West-Friesland te kijk” op zaterdag 23 maart 2002, door Leo Blank Terug naar Homepage Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl