Spoorsingel

DELFT - Zoeken naar een speld in een hooiberg
Kees Chardon (1919-1945) hielp in de oorlogsjaren honderden mensen aan een onderduikadres. Zijn jongste zus Margreet (79) wil in contact komen met mensen die in de jaren '42-'44 onderdak kregen aan de Spoorsingel 28 of dankzij haar broer werden ondergebracht op een geheim adres. De tijd dringt.
door Trudy van der Wees
DELFT - Ze is de laatste der Mohicanen. Haar acht broers en zussen zijn inmiddels allemaal overleden. De verhalen over de illegale activiteiten van het gezin Chardon tijdens de Tweede Wereldoorlog namen ze in hun graf mee. "Ze wilden er niet over praten", vertelt de 79-jarige Margreet Chardon. "Ze waren volkomen getraumatiseerd." Niet geheel onbegrijpelijk, wie de familiegeschiedenis kent. Broer Kees - schuilnaam Paul - Chardon was een bekend verzetsstrijder die zijn niet aflatende hulp aan - vooral Joodse - onderduikers moest bekopen met de dood. Enkele van zijn zussen en zijn ouders werden wel gearresteerd, maar overleefden de oorlog. Margreet Chardon was de jongste van het gezin, een verlegen tiener toen de oorlog uitbrak; een volwassen vrouw toen deze eindigde. Als koerierster was ook zij betrokken bij de ondergrondse activiteiten van de verzetsgroep waar ook Jan van de Sloot en Aad van Rijs deel van uitmaakten.
Trauma
Toen in het najaar van 1942 de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers van de grond kwam, was de jonge gereformeerde advocaat Kees Chardon (1919) meteen van de partij. Samen met Van Rijs en Van der Sloot vormde hij de leiding van het regionale verzet. Ze regelden adressen, maar ook materiële zorg aan onderduikers, zoals voedselbonnen, geld en kleding. Het huis van de familie Chardon, aan de Spoorsingel 28, fungeerde als doorgangshuis voor onderduikers uit heel Nederland. Het was een komen en gaan van mensen die door Chardon werden ondergebracht op een onderduikadres in Delft, Den Haag, het Westland of elders in Nederland. Honderden mensen heeft hij geholpen, tot het mis ging in januari '44. Hij werd verraden, gevangengenomen en uiteindelijk naar Duitsland gestuurd. Daar is hij, een week voor de bevrijding, bezweken aan de ontberingen van het kampleven. Vijfentwintig jaar oud.
Dat is inmiddels allemaal zestig jaar geleden. De nabestaanden hebben met het verlies leren leven. Maar praten erover deed men niet. "Iedereen stortte zich op de wederopbouw", aldus Margreet Chardon. Maar met het stijgen van de jaren, begon het bij haar te kriebelen. "Ik wil zo graag weten hoe het is afgelopen met de mensen die wij in huis hebben gehad en die via Kees op onderduikadressen zijn ondergebracht." Een lastig opgave. Velen zullen de oorlog niet hebben overleefd, anderen zijn inmiddels een natuurlijke dood gestorven. Een aantal is geëmigreerd naar Israël. Maar er is nog een probleem: de onderduikers voerden een valse naam. "Hoe ze echt heetten, wisten we nooit. En waar ze naartoe gingen? Er werd zo min mogelijk opgeschreven. Ik heb zelf ook wel geld en bonnen rondgebracht, maar ik wist nooit wie die mensen waren. Ik kan me alleen nog een kindje met een klompvoetje herinneren in de Hugo de Grootstraat. "
Baby's
Wat mevrouw Chardon nog helder voor de geest staat, zijn de drie baby's die door haar zuster Cock waren gered uit de Amsterdamse Schouwburg, klaar voor transport. "Daarmee namen we een groot risico, want als die kinderen gingen huilen! We hebben toen de buren - die te vertrouwen waren - ingelicht. Die kinderen moeten nu 62 jaar zijn." Van een aantal van Chardons onderduikers is bekend dat ze de oorlog hebben overleefd. Herman de Bruin, Dobbe Franken, Abscha Cohn, Leopold Nabarro, Anka Bagel-Strok en Hanna Rodrigues de Miranda zorgden ervoor dat er langs de Laan der Rechtvaardigen een boom voor Chardon is geplant op de Israëlische gedenkplaats Yad Vashem. "Als ik in Israël jonge mensen zie, voel ik me dankbaar dat mede door de inspanningen van mijn broer zij een toekomst hebben", zegt mevrouw Chardon. "Nee, Kees heeft geen zinloos leven gehad. Hij heeft veel mensen kunnen redden en is veel mensen in de kampen tot steun geweest. Dat is ons later gebleken uit brieven van
mede-gevangenen." Ex-onderduikers meldden zich na de oorlog niet aan de Spoorsingel. Een veeg teken. Volgens Annejet van der Zijl, die in haar boek Sonny Boy zijdelings refereert naar de activiteiten van Kees Chardon, overleefde het merendeel van zijn beschermelingen de oorlog niet. Er zijn echter uitzonderingen. De Haagse Marianka van Lunteren, die in 'Blijvers en voorbijgangers' een beeld schetst van het Delftse joodse leven in de periode 1850-1960, spoorde er drie op: Rob Hompes, Iep van
Praagh en Maurits Stork. De laatste twee zijn inmiddels overleden, maar Rob Hompes (1943) is nog springlevend. Hij werd geboren in Amsterdam. In juli '43 belandde hij in Delft. Chardon regelde een onderkomen voor de baby bij de Delftse familie Jongeleen, waar hij opgroeide als Louis Jongeleen. In de jaren vijftig ging hij bij familie van z'n overleden vader wonen, in Den Haag. Hoewel het oorlogsverleden Hompes' leven heeft getekend, is hij goed terecht gekomen. Hij studeerde, vormde een gezin en ontwikkelde zich binnen de liberaal-joodse gemeenschap. Maurits Stork uit Gouda, overleefde de oorlog doordat Chardon hem een onderduikadres bezorgde in het St. Joris Gasthuis. Hij ging daar als broeder Van Goor door het leven.
#
© Wegener.NV 2005